Wetenschap op maandag! (2)

Wetenschap op maandag!

“Mental Practice”, de kracht van inbeelding

Wetenschap op maandag - Inbeelding

Stel: je ziet je teamgenoot een ogenschijnlijk makkelijke bal missen, die je zelf nooit mis had geslagen. Gevolg: je verbaast je er over dat ‘ie hem mis slaat. Soms zelfs met een kleine ergernis tot gevolg – “Hoe kun je die bal nou mis slaan?”. Vervolgens gaat je brein aan de haal met hetgeen je net gezien hebt en vooral hoe je die bal zelf wel raak zou hebben geslagen. Welke beweging had je anders gedaan? Langer gewacht, korter gewacht? Meer spin, minder spin? Toch langs het net?

Logisch gevolg is dan soms ook dat je je teamgenoot na de betreffende game tracht uit te leggen wat hij anders zou moeten doen om in het vervolg die bal wel raak te slaan. Dat zijn twee erg lastige cognitieve uitdagingen. Je moet in eerste instantie kunnen waarnemen wat je teamgenoot, in jouw ogen, fout heeft gedaan: waarom de gekozen oplossing eigenlijk verkeerd was en welke uitweg beter was geweest. Als tweede moet je deze informatie op een dergelijke manier over kunnen brengen dat je teamgenoot het begrijpt, maar vooral dat ‘ie er iets aan heeft.

Dat overbrengen is de cruciale stap in het geheel. In je eigen hoofd klinkt het allemaal heel logisch, natuurlijk, je hebt het zelf verzonnen. Dan de uitdaging: hoe krijg je jouw prachtige idee over in de hersenpan van je onnozele teamgenoot. Praten? Uitbeelden? Tekenen? Telekinese? Welnee, laat je teamgenoot zich de situatie inbeelden.

In de jaren ’90 zijn er een aanzienlijk aantal wetenschappelijke artikelen gepubliceerd over het inbeelden van een motorische handeling om zo de daadwerkelijke uitvoering te verbeteren. Dat bleek ook te kunnen! Wel, in ieder geval bij een schietoefening en een verkapte dansvoorstelling. Een stuk interessanter, voor mij als neurobioloog in ieder geval, was dat er bij zowel het inbeelden van bewegingen als bij het daadwerkelijke uitvoeren van handeling vergelijkbare hersenactiviteit te zien was. Klinkt spannend, is het eigenlijk ook wel. Met name omdat gedacht wordt dat als er verschillende hersengebieden actief zijn, de verbindingen tussen deze gebieden sterker worden: je leert iets. Een Amerikaanse neurobiologe zei ooit: “cells that fire together, wire together.” Wat je er mee doet moet je zelf weten eigenlijk, ik vond het wel een mooie tekst.

Hoe zit dat dan bij tafeltennis? De Fransman Peddy Caliari vond 2008 een geschikt moment om dit te onderzoeken. Hij wilde weten hoe je je forehand slag zou kunnen verbeteren door er over te fantaseren. Het is maar wat je wil doen voor je werk.

Hij heeft maar liefst 112 scholieren weten te strikken voor zijn onderzoek, heel erg veel. Waarom scholieren? Staat er niet bij, maar waarschijnlijk omdat pubers van 14/15 jaar nog hee flexibel zijn in hun leermogelijkheden. Hetzelfde experiment met fossielen van 85 had waarschijnlijk niets opgeleverd.

Een belangrijk onderscheid dat hij nog maakte was of je je focust op de beweging van je batje of de beweging van het balletje. De leerlingen werden opgedeeld in 4 groepen: wel of geen mental practice en focus op het batje of focus op het balletje. Dan de opdracht: sla met je forehand een bal zo dicht mogelijk in de roos van het bord dat op de tafel ligt. Van te voren kregen de scholieren een video te zien hoe ze een goede forehand moest slaan (Jacques Secretin?). De kinderen die zich mentaal moesten voorbereiden kregen ofwel de opdracht om op de beweging van het batje te letten ofwel om zich op de afgelegde weg van het balletje te focussen. Dit was immers in belang van het experiment.

Gelijk na het zien van die video werd begonnen met het experiment. De groep die zich mentaal moest voorbereiden, kreeg dus die opdracht om dat te doen. Om te voorkomen dat de controle groep zich ook een voorstelling ging maken, kregen ze allerlei lastige rekensommetjes om zo de aandacht af te leiden. Gelijk daarna was het meppen geblazen. Ram die bal zo dicht mogelijk bij de roos.

Werd een mooie uitkomst geboekt? Natuurlijk, anders zou ik er niet over schrijven. Wetenschap waaruit iets leuks komt is natuurlijk veel interessanter dan iets waar geen mooi resultaat uit komt. Maar let wel, geen verschil vinden is ook een resultaat. Zoals je aan je water kunt voelen, bleek de groep die zich vlak voor het slaan een voorstelling maakte van hoe ze hun batje moesten bewegen of hoe de bal moest bewegen, dichter bij de roos te slaan. Binnen die groep bleek de focus op het batje nog veel beter te zijn. Richt je dus vooral op hoe je je eigen slag maakt en in mindere mate op hoe de bal moet bewegen. Wellicht is het laatste wel weer relevant voor ervaren pingpongers, aangezien zij de correcte slagen al in hun arsenaal hebben en dit experiment met alleen beginners gedaan werd.

Dus wat gaan we voortaan doen? Nadenken voordat je gaat slaan. Prachtig voorbeeld in de Nederlandse Eredivisie is Liu Qiang. Zijn karakteristieke manoeuvres tijdens het klaarstaan roepen af en toe wat vraagtekens op, maar volgens mij volledig ten onrechte. Hij brengt zijn brein en lichaam in staat van paraatheid om de ballen vakkundig in te kunnen beuken. Het lijkt er op alsof hij zich inbeeldt wat er kan gaan gebeuren en hoe hij daarmee om kan gaan.

Droom vooral niet te veel, maar droom af en toe wel eens buiten de geijkte paden. Als linkspoot moet het me toch van het hart: er worden te weinig ballen langs het net geslagen.

Volgende week: weer iets over inbeeldingsvermogen, maar dan met professionals en iets uitgebreider over hersenactiviteit.

Verder lezen: http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/10413200701790533

Delen vanzelfsprekend toegestaan!

Geef een reactie